Omvorming ProRail B.V. tot zelfstandig bestuursorgaan (zbo) per 2021: wat betekent dit fiscaal?

Op 17 februari jl. is het wetsvoorstel Publiekrechtelijke omvorming ProRail ingediend en de lagere regelgeving in internetconsultatie gebracht. Met de Wet publiekrechtelijke omvorming ProRail wordt de besloten vennootschap (B.V.) ProRail omgevormd naar een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan met eigen rechtspersoonlijkheid.

Eveneens op 17 februari jl. is door de Minister van Milieu en Wonen een uitgebreide brief gestuurd aan de Tweede Kamer, waarin op de financiële gevolgen en fiscale aspecten van deze omvorming wordt ingegaan.

Belang voor de praktijk

Op dit moment geldt als uitgangspunt dat ProRail voor haar activiteiten btw in rekening moet brengen aan haar afnemers, waaronder het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Op dit uitgangspunt gelden enkele uitzonderingen, zoals bij het in opdracht en voor rekening van decentrale overheden aanpassen van (hoofdspoorweg)infrastructuur. Als de decentrale overheid daarbij niet de beschikkingsmacht en/of het feitelijke gebruik van de aangelegde voorziening heeft, kan btw-heffing achterwege blijven (brief van het Ministerie van Financiën van 23 mei 2013 met kenmerk DGB/2013/2707M).

Na de omvorming zal ProRail in veel minder gevallen btw in rekening moeten brengen. Voor de wettelijke taken aan de hoofdspoorweginfrastructuur, het grootste deel van de activiteiten, kwalificeert ProRail namelijk niet meer als btw-ondernemer. Dit betekent dat ProRail geen btw meer in rekening hoeft te brengen aan afnemers voor zover het gaat om deze wettelijke activiteiten. Dit heeft evenwel tot gevolg dat ProRail voor deze activiteiten geen recht op aftrek van voorbelasting meer heeft. Deze kostprijsverhogende btw leidt tot hogere kosten voor ProRail en in principe zou ProRail die moeten doorberekenen aan haar afnemers. Het kabinet wil dat voorkomen en zal in lagere regelgeving verankeren dat ProRail de hogere (btw) kosten als gevolg van de omvorming niet doorberekent aan derden. Het Rijk zal ProRail daarvoor compenseren. Uitgangspunt is dat dit in elk geval tot 2040 geldt.

Hoewel daar in de Kamerbrief niet uitgebreid op wordt ingegaan, zal ProRail ook als zbo nog btw-plichtig zijn voor bepaalde activiteiten. Te denken valt aan niet-wettelijke taken of wettelijke taken waarbij in concurrentie wordt getreden met reguliere marktpartijen. Als voorbeeld noemen we werkzaamheden die in opdracht en voor rekening van gemeenten of provincies worden uitgevoerd, zoals de aanleg van kruisende voorzieningen (‘derdenwerken’). Gelet op de genoemde brief van het Ministerie van Financiën van 23 mei 2013 zal btw-heffing in die gevallen overigens meestal niet nadelig uitpakken. De door gemeenten en provincies betaalde btw komt in principe namelijk voor een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds in aanmerking komen (we laten de ‘plafonddiscussie’ hierbij even buiten beschouwing). Overigens ook op dit uitgangspunt bestaan uitzonderingen, zodat elke samenwerking met  ProRail (en/of NS) toch op haar specifieke fiscale gevolgen getoetst moet worden.

In de Kamerbrief geeft de Minister verder aan dat zij de komende periode met de decentrale overheden de nieuwe kansen wil verkennen die het zbo biedt om te komen tot een verbetering van het gezamenlijk opdrachtgeverschap.

Ook eventuele nadelige gevolgen voor ProRail op het gebied van de vennootschapsbelasting en energiebelasting worden door het Rijk gecompenseerd.

Tot slot

Al in 2016 heeft het kabinet besloten tot de omvorming van ProRail. In de afgelopen jaren is veelvuldig gesproken over de financiële en fiscale gevolgen van dit besluit. Daarbij gold steeds als uitgangspunt dat deze omvorming voor onder andere de decentrale overheden financieel niet nadelig zou mogen uitpakken. De Minister geeft thans aan dat het kabinet erin is geslaagd om de omvorming zodanig vorm te geven dat aan de belangrijke randvoorwaarde wordt voldaan: de omvorming leidt niet tot een hogere gebruiksvergoeding, ook de prijs van het treinkaartje zal niet stijgen en de omvorming gaat niet ten koste van de investeringen aan het spoor. Dat is uiteraard goed nieuws. Desondanks kunnen wij ons voorstellen dat de omvorming de nodige vragen oproept bij bestaande en toekomstige samenwerkingen met decentrale overheden. Wij adviseren meerdere gemeenten en provincies bij de fiscale gevolgen van aanleg van infrastructurele voorzieningen, zoals stations en fietsenstallingen.

Mocht u vragen hebben, neem dan gerust contact op met een van onze adviseurs.