Hoge Raad: btw-discussie omtrent exploitatie begraafplaatsen vermoedelijk nog lang niet begraven.

Vandaag heeft de Hoge Raad arrest gewezen in een lang verwachte procedure van gemeente Krimpen aan den IJssel (hierna: de gemeente), inzake de exploitatie van begraafplaatsen. De Hoge Raad oordeelt dat de gemeente bij de uitgifte van grafrechten geen overheidsbevoegdheden gebruikt. Op die grond bestaat in zoverre dan ook geen recht op een bijdrage uit het BTW-compensatiefonds (hierna: BCF). De Hoge Raad verwijst de zaak wel nog naar gerechtshof Amsterdam om te onderzoeken of de gemeente de begraafplaats(en) wellicht mede gebruikt voor niet-economische activiteiten. Als dat het geval is, bestaat in zoverre wel een (gedeeltelijk) recht op een bijdrage uit het BCF.

Een wat ons betreft teleurstellende uitspraak voor gemeenten omdat er voorlopig geen duidelijkheid komt over de btw-kwalificatie van de exploitatie van begraafplaatsen bij gemeenten. Dit hadden we wel gehoopt omdat het gerechtshof Den Haag en de Advocaat-Generaal wél tot het oordeel van compensatie van btw kwamen.

De uitspraak van de Hoge Raad via deze link te raadplegen.

Situatieschets

De gemeente is eigenaar en exploitant van twee begraafplaatsen. De exploitatie bestaat onder andere uit het aanleggen, onderhouden, en uitbreiden van de begraafplaatsen en de uitgifte van grafrechten. Ter zake van de exploitatie van de begraafplaatsen heeft de gemeente kosten gemaakt en de daarop drukkende btw is teruggevraagd via het BCF. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de Belastingdienst de gecompenseerde btw teruggevorderd, omdat de inspecteur van mening is dat geen recht op een bijdrage uit het BCF bestaat.

In deze procedure is in geschil of de gemeente met betrekking tot de btw die aan haar in rekening is gebracht ter zake van de exploitatie van begraafplaatsen handelt als overheid en of in dat geval recht bestaat op een bijdrage uit het BCF.

Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad heeft de gemeente op grond van artikel 33 van de Wet op de lijkbezorging (hierna: Wlb) de verplichting ten minste één gemeentelijke begraafplaats te hebben. Die verplichting omvat mede het ter beschikking stellen van grafruimten en het doen begraven en begraven houden van overledenen. Echter leidt dit volgens de Hoge Raad niet tot het oordeel dat bij de uitgifte van grafrechten tegen vergoeding overheidsbevoegdheden nodig zouden zijn. Daar is volgens de Hoge Raad geen wettelijke basis voor te vinden. Voorts stelt de Hoge Raad dat kerkgenootschappen, privaatrechtelijke rechtspersonen en natuurlijke personen op bijzondere begraafplaatsen dezelfde prestaties kunnen verrichten als een gemeente op een gemeentelijke begraafplaats.

In cassatie werd tevens uitgegaan van de situatie dat de uitgifte van grafrechten door de gemeente tegen een vergoeding als economische activiteit kwalificeert. De Hoge Raad velt over dit uitgangspunt in de procedure helaas geen oordeel.

Verwijzing
De Hoge Raad verwijst de zaak naar gerechtshof Amsterdam om te onderzoeken of de begraafplaats mede wordt gebruikt voor doeleinden waarvoor wél recht op een bijdrage uit het BCF bestaat. De gemeente heeft eerder in de procedure namelijk subsidiair aangevoerd dat zij in elk geval enkele specifieke wettelijke taken heeft (zoals de terbeschikkingstelling van een algemeen graf op grond van de artikelen 20 t/m 22 Wlb) en dat de begraafplaats daarnaast een openbaar karakter heeft. Die stellingen zijn door gerechtshof Den Haag onbehandeld gelaten en moeten van de Hoge Raad nu alsnog worden onderzocht.

Belang voor de praktijk

Veel gemeenten hebben de begraafplaatsen vooralsnog als ‘kostprijsverhogend’ gelabeld. Dat betekent dat de btw op gemaakte kosten/investeringen niet in aftrek wordt gebracht via de aangifte omzetbelasting en ook niet wordt gecompenseerd via het BCF. Dit is conform het huidige beleid dat de Belastingdienst voert. Afhankelijk van de feitelijke situatie in uw gemeente én het nog te verkrijgen oordeel van gerechtshof Amsterdam zou er echter deels recht op een bijdrage uit het BCF kunnen bestaan.

Als deze procedure straks met het oordeel van gerechtshof Amsterdam definitief wordt beslecht, kan er  – afhankelijk van de uitkomst – in beginsel tot 5 jaar (vanaf het moment van de uitspraak van gerechtshof Amsterdam) terug verzocht worden om aanvullende bijdragen uit het BCF (of nog verder in het verleden als de gemeente daarover afspraken heeft gemaakt met de inspecteur). Het is evenwel ook goed denkbaar dat tegen de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam wederom beroep in cassatie wordt ingesteld bij de Hoge Raad. Dat zou dan voor de derde keer zijn in deze procedure en duidelijkheid omtrent de btw bij de exploitatie van begraafplaatsen nog enkele jaren uitstellen.

Een vraag die aan de orde zou kunnen komen is of op basis van deze uitspraak van de Hoge Raad gemeenten gehouden zijn om btw te voldoen over de ontvangen grafrechten. Dit is ons inziens gelet op het huidige beleid van de Belastingdienst en de door de staatssecretaris van Financiën gestelde uitleg van de lijkbezorgingsvrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel h van de Wet OB niet het geval. Doordat gemeenten op basis van de gemeentewet maximaal kostendekkende leges mogen heffen ten aanzien van de grafrechten is het toepassen van deze vrijstelling in zoverre voor gemeenten voordelig.

Hoe nu te handelen?

Het is de vraag of op dit moment actie moet worden ondernomen. Wij gaan ervan uit dat de Belastingdienst het beleid rondom de begraafplaatsen niet zal wijzigen. Maar het is niet uit te sluiten dat er toch deels recht op een bijdrage uit het BCF bestaat. Daarvoor is het wachten op gerechtshof Amsterdam en daar gaat weer tijd overheen.

Binnenkort ontvangt de gemeente de beschikking BCF 2019. Hiertegen kan bezwaar worden gemaakt onder verwijzing naar onder meer deze lopende procedure. Tevens kan bezwaar worden gemaakt tegen bijvoorbeeld de huidige discussie omtrent de verrekening van btw op de re-integratiekosten. Aan het eind van dit kalenderjaar kan het – mede afhankelijk van het belang – tevens zinvol zijn bezwaar te maken tegen de jaarbeschikking BCF 2015, omdat 2015 anders verjaart. De kans bestaat dat dit bezwaar door de inspecteur niet wordt aangehouden (in afwachting van gerechtshof Amsterdam) maar direct wordt afgewezen. De gemeente zal dan eventueel zelf in beroep moeten gaan bij de rechtbank. Graag bekijken wij met uw gemeente wat wijsheid is binnen de huidige stand van zaken.

Tot slot

Mocht u naar aanleiding van deze nieuwsbrief vragen hebben, neem dan gerust contact op met een van onze adviseurs.

[Bron: Uitspraak]