Gerechtshof: altijd btw-aftrek bij terbeschikkingstelling sportaccommodaties voor sportbeoefening

Recent heeft het gerechtshof Den Haag een belangrijke uitspraak gedaan over de terbeschikkingstelling van buitensportaccommodaties door een gemeente aan sportverenigingen. Volgens het gerechtshof is de terbeschikkingstelling van sportaccommodaties voor de sportbeoefening zonder meer onderworpen aan het verlaagde btw-tarief en kan de toerekenbare voorbelasting dus in aftrek worden gebracht. Het oordeel van het gerechtshof is van belang voor alle exploitanten van sportaccommodaties, zoals gemeenten, beheerstichtingen, sportverenigingen en sportorganisaties. Het oordeel van het gerechtshof heeft wellicht ook gevolgen voor de voorgestelde verruiming van de sportvrijstelling per 1 januari 2019.

Casus

De gemeente Barendrecht exploiteert twee buitensportaccommodaties en stelt deze tegen vergoeding ter beschikking aan voetbalverenigingen. Alle kosten voor het onderhoud, beheer en exploitatie komen voor rekening van de gemeente. De gemeente heeft wel met de voetbalverenigingen opdrachtovereenkomsten gesloten op grond waarvan de voetbalverenigingen tegen betaling van een vergoeding door de gemeente onderhouds- en beheerwerkzaamheden verrichten op de sportaccommodaties.

De gemeente is van mening dat de terbeschikkingstelling van de sportaccommodaties kwalificeert als het geven van gelegenheid tot sportbeoefening. De gemeente heeft dan ook 6% btw voldaan over de gebruikersvergoedingen en alle ter zake aan haar in rekening gebrachte voorbelasting in aftrek gebracht.

De inspecteur is echter van mening dat sprake is van vrijgestelde verhuur en dat de gemeente dus helemaal geen recht op aftrek van voorbelasting heeft. De inspecteur meent dat de gemeente onvoldoende aanvullend dienstbetoon verricht en dat dus sprake is van passieve verhuur, in plaats van het gelegenheid geven tot sportbeoefening.

Rechtbank

In het door de gemeente ingestelde beroep oordeelt de rechtbank Den Haag dat de terbeschikkingstelling van sportaccommodaties kwalificeert als vrijgestelde verhuur en dus het gelijk aan de zijde van de inspecteur is. Doorslaggevend voor de rechtbank is de omstandigheid dat de voetbalverenigingen werkzaamheden uitvoeren op de sportaccommodatie. De rechtbank oordeelt tevens dat de gemeente geen geslaagd beroep kan doen op het Sportbesluit. Aan de voorwaarden hiervan is volgens de rechtbank niet voldaan, eveneens omdat werkzaamheden worden uitbesteed aan de verenigingen.

Kort na de uitspraak van de rechtbank, op 1 december 2017, heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over de terbeschikkingstelling van sportaccommodaties. Uit dat arrest kan worden opgemaakt dat het uitbesteden van onderhoud aan anderen de toepassing van het verlaagde tarief niet in de weg staat. In ons nieuwsbericht van december 2017 hebben wij aandacht besteed aan dit arrest van de Hoge Raad.

Voor de gemeente was er dus alle aanleiding om hoger beroep in te stellen tegen het oordeel van de rechtbank.

Hoger beroep

Het gerechtshof heeft afgelopen vrijdag uitspraak gedaan in het hoger beroep van de gemeente. Het gerechtshof oordeelt primair dat, gelet op de duidelijke tekst in de btw-regelgeving, het enkel gerechtigd zijn tot het gebruik van een sportaccommodatie voor de beoefening van sport leidt tot een dienst die belast is naar het verlaagde tarief. Omdat in deze zaak vaststaat dat de gemeente een dergelijke dienst verricht – het staat vast dat sprake is van een sportaccommodatie die uitsluitend voor de sportbeoefening ter beschikking wordt gesteld – is volgens het gerechtshof dus sprake van een belaste dienst die recht op aftrek geeft.

Het gerechtshof overweegt ten overvloede dat de gemeente ook voldoende aanvullend dienstbetoon verricht en ook om die reden dus geen sprake kan zijn van vrijgestelde verhuur. De omstandigheid dat de gemeente werkzaamheden uitbesteedt (aan ondernemers en de voetbalverenigingen) wijst er juist op dat het aanvullend dienstbetoon substantieel is.

Visie van Caraad

Het gerechtshof heeft een vernieuwende uitspraak gedaan. Het gerechtshof oordeelt in wezen dat het verlaagde tarief van toepassing is omdat vaststaat dat sprake is van een sportaccommodatie en de sportaccommodatie ook uitsluitend voor de beoefening van de sport ter beschikking wordt gesteld. Een dergelijke ruime benadering is nieuw en brengt een ruime toepassing van het verlaagde tarief voor de terbeschikkingstelling van sportaccommodaties met zich. De voorwaarden zoals die zijn opgenomen in het Sportbesluit hebben dan geen functie meer, tenminste als het oordeel van het gerechtshof door de Hoge Raad zou worden bevestigd.

In de praktijk zien wij geregeld dat inspecteurs de aftrek bij sportaccommodaties weigeren omdat de sportvereniging die gebruik maakt van de sportaccommodatie ook werkzaamheden uitvoert. Vanaf 2014 mogen de sportverenigingen op grond van het Sportbesluit overigens wel hand- en spandiensten verrichten, maar uitbesteden aan de sportverenigingen is op grond van het Sportbesluit niet toegestaan. Voor dat laatste is gelet op het arrest van de Hoge Raad en de uitspraak van het gerechtshof eigenlijk geen grond meer.

Door het kabinet is aangegeven dat met de voorgenomen wijziging van de sportvrijstelling per 1 januari 2019 de terbeschikkingstelling van sportaccommodaties door gemeenten onder de verruimde sportvrijstelling zou vallen. Discussies zoals die zich voor dit gerechtshof hebben voorgedaan, zouden daarmee tot het verleden behoren. Echter, het verlaagde tarief voor het gelegenheid geven tot sportbeoefening blijft in stand. Mogelijk biedt de insteek van het gerechtshof in deze zaak toch ruimte om, ondanks een verruiming van de sportvrijstelling, het verlaagde tarief te blijven toepassen op de terbeschikkingstelling van sportaccommodaties door gemeenten en andere niet-winstbeogende instellingen.

Wat betekent deze uitspraak voor u?

De uitspraak van het gerechtshof kan mogelijk betekenen dat aan de toepassing van het 6%-tarief veel sneller kan worden toegekomen dan uit de voorwaarden van het Sportbesluit en de uitleg van het Sportbesluit door de Belastingdienst naar voren komt. Ook voor de toekomstige wijziging van de sportvrijstelling, waarover u via de VSG in samenwerking met Caraad bent geïnformeerd, kan deze uitspraak gevolgen hebben.

Mocht u vragen hebben, neem dan gerust contact op met een van onze adviseurs.

[Bron: Uitspraak]

Bij twijfel belt u Digna of Jitske. Zij brengen u graag in contact met één van onze fiscale specialisten.

050 210 3640

Voorkom per 1 januari 2020 een onverwacht hoge WW-premie!

12 november 2019

Per 1 januari a.s. treedt de Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) in werking. Ongetwijfeld heeft u zich ingelezen en heeft u inmiddels een beeld van de impact van de WAB op uw organisatie. Toch is er recent een aandachtspunt aan het licht gekomen…

Lees verder

Belastingplan 2020: Highlights loonheffingen

19 september 2019

In onderstaand nieuwsbericht gaan wij in op een aantal interessante wijzigingen ten aanzien van de loonheffingen die zijn opgenomen in het Belastingplan 2020.

Lees verder

Nieuw besluit btw-vrije samenwerking tussen instellingen.

9 september 2019

In het besluit van 9 augustus 2019 (gepubliceerd op 4 september jl.) heeft de staatssecretaris van Financiën zijn uitleg gegeven over de toepassing van het zogenaamde Vavo-arrest buiten de onderwijssector…

Lees verder

Hof van Justitie, lid Raad van Toezicht/Commissaris is niet btw-plichtig

17 juni 2019

Op 13 juni jl. heeft het Europese Hof van Justitie uitspraak gedaan over de btw-plicht van een lid van een raad van commissarissen. In geschil was of het lid

Lees verder
caraad-merk-en-payoff