Prinsjesdag | Belastingplan 2024

Dinsdag heeft het kabinet het pakket Belastingplan 2024 aangeboden aan de Tweede Kamer. Wij hebben de meest relevante maatregelen per belastingsoort op hoofdlijnen voor u uitgewerkt.

Inkomstenbelasting

Reparatie lucratiefbelangregeling
Zoals eerder door het kabinet was aangekondigd, wordt een reparatie in de lucratiefbelangregeling voorgesteld als gevolg van het arrest van de Hoge Raad met terugwerkende kracht tot datum van de aankondiging (26 juni 2023).

Als aandelen, vorderingen of andere vermogensrechten (mede) zijn verkregen als beloning voor werkzaamheden, kunnen deze als een lucratief belang worden aangemerkt en dientengevolge belast worden als inkomsten uit overige werkzaamheden en dus tegen het progressieve tarief in de inkomstenbelasting.

De lucratiefbelangregeling kent een vangnetbepaling op grond waarvan - naast genoemde aandelen en vorderingen - vermogensrechten die gelet op de feiten en omstandigheden economisch vergelijkbaar zijn met aandelen, vorderingen of schulden ook als een lucratief belang kunnen worden aangemerkt. Een lening van bijvoorbeeld een aandeelhouder die in de totale kapitaalstructuur van de vennootschap een functie heeft die vergelijkbaar is met die van een cumulatief preferent aandeel, kan daardoor meetellen voor de beoordeling of sprake is van een lucratief belang.

In het genoemde arrest van 14 april 2023 heeft de Hoge Raad beslist dat leningen alleen meetellen voor zover deze voor de toepassing van de belastingwetgeving als informeel kapitaal zijn aan te merken. Met dit criterium vallen situaties waarbij gebruik wordt gemaakt van bijvoorbeeld een aandeelhouderslening die niet als informeel kapitaal is aan te merken, maar die wel mede bijdraagt aan een beloning voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon, niet langer onder het lucratief belang.

Deze beperking acht de regering ongewenst. Daarom wordt voorgesteld de wet aan te passen waardoor leningen die mede bijdragen aan het beloningsoogmerk eveneens onder de noemer ‘totaal geplaatst aandelenkapitaal’ vallen. Daarmee kan de lucratiefbelangregeling (weer) van toepassing zijn voor leningen die mede bijdragen aan het beloningsoogmerk.

Inkomstenbelasting (IB) en vennootschapsbelasting (Vpb)

Wijzigingen tarifering en kortingen IB

Voor de IB gelden de volgende wijzigingen ten aanzien van tarifering en kortingen:

  • De maximale arbeidskorting wordt verhoogd naar € 5.553 (2023: € 5.052).
  • De MKB-winstvrijstelling wordt verlaagd van 14% naar 12,7%.
  • De zelfstandigenaftrek wordt verder afgebouwd en gaat van € 5.030 in 2023 naar € 3.750 in 2024. Daarna wordt de zelfstandigenaftrek verder afgebouwd naar € 900 in 2027.
  • Het basistarief van box 1 gaat per 2024 naar 36,97% (in 2023: 36,93%) en de schijfgrens gaat naar € 75.624 (in 2023: € 73.031).
  • Per 2024 krijgt box 2 twee schijven. De eerste schijf belast tot € 67.000 aan box 2-inkomsten per persoon tegen een tarief van 24,5% en voor de tweede schijf geldt een tarief van 31% over het meerdere. Het huidige box 2-tarief bedraagt 26,9%.
  • De verhoging van het box 3-tarief van 32% naar 34% wordt vervroegd doorgevoerd per 2024, in plaats van per 2025 zoals in het Belastingplan 2023 stond.

Afschrijvingsbeperking gebouwen tot 100% WOZ-waarde
Voor ondernemers in de IB wordt de bodemwaarde voor afschrijvingen van gebouwen in eigen gebruik verhoogd van 50% naar 100% van de WOZ-waarde. Deze 100% gold al voor ondernemingen in de Vpb.

Giften door vennootschap niet langer een uitdeling aan aandeelhouder
Giften door een vennootschap aan een ANBI worden niet langer aangemerkt als een uitdeling aan en een schenking door de aanmerkelijkbelanghouder van die vennootschap.

VvE-aandeel en derdenrekening in box 3 onder categorie banktegoeden
Het aandeel in het vermogen van een VvE of vermogen op een derdengeldenrekening van een notaris of gerechtsdeurwaarder wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2023 onder de categorie banktegoeden gebracht. Dit betekent dat hierop het lagere forfaitaire rendement voor banktegoeden wordt berekend. Deze vermogensbestanddelen vallen momenteel in de categorie ‘overige bezittingen’, waarvoor in 2023 een forfaitair rendementspercentage van 6,17% geldt.

Defiscaliseren onderlinge vorderingen en schulden bij partners en minderjarige kinderen
Onderlinge vorderingen en schulden in box 3 tussen fiscale partners en tussen ouders en minderjarige kinderen worden met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2023 gedefiscaliseerd. Deze vorderingen en schulden hoeven niet meer in de aangifte IB te worden vermeld.

Verruiming herinvesteringsreserve (HIR) bij staking als gevolg van overheidsingrijpen
De toepassing van de HIR bij gedeeltelijke staking als gevolg van overheidsingrijpen wordt verruimd. Een HIR gevormd in een gestaakte onderneming kan dan worden aangewend voor herinvesteringen in een nieuwe activiteit. Op dit moment geldt dat een HIR alleen per onderneming kan worden toegepast. Dit betekent dat een ondernemer met meerdere ondernemingen, een HIR die is gevormd in de ene onderneming niet kan gebruiken voor een herinvestering in een andere onderneming.

Energie-investeringsaftrek (EIA), milieu-investeringsaftrek (MIA) en willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) verlengd
De EIA, MIA en VAMIL worden verlengd tot 1 januari 2029. Zonder deze verlenging zouden deze maatregelen per 1 januari 2024 stoppen.

Aftrekpercentage EIA verlaagd
Vanaf 2024 wordt het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek (EIA) structureel verlaagd van 45,5% naar 40%.

Afschaffing betalingskorting
Per 1 januari 2023 is de betalingskorting in de Invorderingswet 1990 voor voorlopige aanslagen Vpb afgeschaft. per 1 januari 2024 wordt ook de betalingskorting voor voorlopige aanslagen IB afgeschaft.

Afschaffing aftrek giften door vennootschap (Vpb)
Niet zakelijke giften zijn momenteel aftrekbaar tot ten hoogste 50% van de winst met een maximum van €100.000. Die aftrek verdwijnt per 1 januari 2024. Daar staat tegenover dat deze giften niet langer als winstuitdeling en opbrengst in box 2 worden aangemerkt, ook niet voor zover zij uitgaan boven de maxima van de huidige giftenaftrek.

Bedrijfsopvolging
Er worden met ingang van 2024 en 2025 meerdere wijzigingen in de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten doorgevoerd voor zowel de doorschuifregelingen/bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de IB (BOF IB) als de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de schenk- en erfbelasting (BOF SW):

  • Verhuurd vastgoed wordt voor BOF IB en BOF SW als beleggingsvermogen aangemerkt (per 2024).
  • De 5%-doelmatigheidsmarge bij de BOF IB en BOF SW wordt afgeschaft (per 2025).
  • Bedrijfsmiddelen met een waarde van meer dan €100.000 die ook privé worden gebruikt kwalificeren niet meer voor de BOF IB en BOF SW (per 2025).
  • De dienstbetrekkingseis in de BOF IB wordt afgeschaft (per 2025).
  • Er wordt een minimumleeftijd van 21 ingevoerd bij schenking voor BOF IB en BOF SW (per 2025).
  • De vrijstelling in de BOF SW wordt aangepast. De 100%-vrijstelling wordt verhoogd tot € 1,5 Mln. (goingconcernwaarde). De vrijstelling boven dit bedrag wordt 70% vrij in plaats van de 83% die nu geldt (per 2025).

Loonheffingen

Onbelaste reiskostenvergoeding omhoog per 2024
Aanvankelijk was in het Belastingplan 2023 aangekondigd dat de onbelaste reiskostenvergoeding per 2024 € 0,22 per kilometer zou bedragen, deze wordt echter verhoogd naar € 0,23 per kilometer.

Vereenvoudiging en verruiming voor een onbelaste OV-kaart

De nihilwaardering voor een ter beschikking gestelde OV-kaart komt per 2024 te vervallen. In plaats daarvan wordt voorgesteld om de gerichte vrijstelling te verruimen waardoor deze zowel in geval van vergoeden, verstrekken als het ter beschikking stellen van een OV-kaart kan worden toegepast. Enig vereiste is dat sprake is van ‘mede zakelijk gebruik’, waarbij de mate van het zakelijk gebruik niet relevant is (!).

Dit is een sterke vereenvoudiging, en ook een verruiming. Zo gold de nihilwaardering bijvoorbeeld niet in geval van trajectkaart.

Graag denken wij met u mee op welke wijze uw mobiliteitsregeling kan worden aangepast naar aanleiding van deze aanpassingen.

Thuiswerkvergoeding
Per 1 januari 2022 is de gerichte vrijstelling voor de thuiswerkvergoeding ingevoerd. Tijdens de invoering ervan is vastgelegd dat het bedrag jaarlijks wordt geïndexeerd aan de hand van de ‘tabelcorrectiefactor’. Op basis hiervan is de vergoeding in 2023 verhoogd naar € 2,15 per thuiswerkdag. De indexatie per 2024 wordt pas in december 2023 bekendgemaakt.

Vrije ruimte WKR – aanpassing 2024 en herstel voor 2023
In het Belastingplan 2023 was voorgesteld om voor de berekening van de vrije ruimte van de WKR het percentage van de eerste schijf tijdelijk te verhogen van 1,7% naar 3%. Doordat de wettekst niet goed was aangepast - in de wet stond een maximum bedrag van € 6.800 - was effectief nog steeds sprake van een tarief van 1,7%. Deze fout wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2023 hersteld.

Per 2024 wordt de tijdelijke verhoging teruggedraaid en bedraagt de vrije ruimte 1,92% over de eerste schijf (tot de fiscale loonsom van € 400.000). Het percentage over het meerdere blijft in 2024 1,18%.

Beperking 30%-regeling per 2024 tot de ‘Balkenende norm’
In het Belastingplan 2023 was reeds aangekondigd dat de grondslag voor toepassing van de 30%-regeling per 2024 gemaximeerd wordt op het WNT-maximum, in de volksmond de Balkenende norm genoemd. Die bedraagt voor 2024 € 233.000 op jaarbasis. De onbelaste vergoeding in het kader van de 30%-regeling is daarmee maximaal € 69.900 op jaarbasis.

Let op: er geldt overgangsrecht voor de medewerkers voor wie in het laatste tijdvak van 2022 de 30%-regeling reeds werd toegepast. Als daar sprake van was, dan geldt de aftopping per 1 januari 2026 (!).

Voor alle medewerkers die vanaf 1 januari 2023 de 30%-regeling toepassen, geldt de aftopping per 1 januari 2024.

Overdrachtsbelasting

Vanaf 1 januari 2025 wordt de samenloopvrijstelling voor de overdrachtsbelasting ingeperkt bij de verkrijging van aandelen in een onroerend zaaklichaam. Momenteel is het mogelijk om nieuw onroerend goed te leveren via een aandelentransactie waarbij geen btw en overdrachtsbelasting wordt geheven. In het geval de verkrijger de btw op dat onroerend goed niet terug kan krijgen, zoals bij woningen, scholen of zorginstellingen, kan dat een btw- en overdrachtsbelastingbesparing opleveren ten opzichte van een directe levering van dat onroerend goed. Met deze aanpassing vervalt de vrijstelling overdrachtsbelasting naar een heffing tegen een nieuw tarief van 4%. Hiermee probeert de regering een gelijk speelveld te creëren ten opzichte van de directe levering.

De aanpassing geldt overigens niet voor de situatie waarin sprake is van nieuw onroerend goed wat ten minste twee jaar lang volledig of nagenoeg volledig voor btw-belaste doeleinden wordt gebruikt. Daarnaast zijn er nog andere mogelijkheden denkbaar waarbij ook voor vrijgesteld gebruikt onroerend goed geen btw en overdrachtsbelasting wordt geheven. De regering kiest ervoor om die mogelijkheden niet te beperken.

Tot slot geldt er overgangsrecht voor zover tussen partijen reeds afspraken zijn gemaakt voor de levering van nieuw onroerend goed via een aandelentransactie. Onder voorwaarden kan dan ook tussen 2025 en 2030 van de vrijstelling gebruik worden gemaakt.

Omzetbelasting

Vervallen lage tarief op een aantal producten
Het verlaagde tarief vervalt vanaf 1 januari 2025 op een aantal goederen, waarbij het met name gaat over producten voor de landbouw, zoals boerderijdieren, diervoeding, poot- en zaaigoed, rondhout etc. Voor landbouwbedrijven zal deze tariefverhoging niet direct gevolgen hebben omdat zij de btw kunnen verrekenen. Particulieren en organisaties die niet alle btw terug kunnen vragen (natuurbeheerders ed) zullen de tariefverhoging wel merken.

Als gevolg van het vervallen van dit tarief is vanaf 1 januari 2025 zowel konijnenvoer als caviavoer belast met 21% btw.

Groente en fruit
Het nultarief op groente en fruit is voorlopig van de baan.

Energiebelasting

Voor de energiebelasting gelden een aantal wijzigingen, waarvan de belangrijkste de volgende zijn:

  • Om in de toekomst particulieren te stimuleren minder elektriciteit en gas te gebruiken, wordt de wet alvast aangepast. Aldus kan in de toekomst over een meer dan gemiddeld verbruik extra belasting worden geheven. Daarop vooruitlopend wordt nu ook al een teruggaafregeling ingevoerd voor ‘blokverwarmingen’. Daarmee wordt voorkomen dat bij toekomstige belastingtarief aanpassingen gebruikers die een gasgestookte warmte installatie delen teveel belasting zouden betalen.
    • NB in de Tweede Kamer wordt al geopperd deze tariefsverlagingen per 1 januari 2024 door te voeren in verband met koopkrachtbehoud.
  • Met een Warmtekrachtkoppelings-installatie wordt met behulp van gas, warmte en elektriciteit opgewekt. Als voldaan wordt aan rendementseisen, wordt over het verbruikte gas geen energiebelasting geheven. Over de opgewekte elektriciteit wordt daarbij ook geen energiebelasting geheven. Dit wordt anders:
    • De mate van belastingheffing over gasverbruik wordt afhankelijk van het rendement. Welk rendement moet worden behaald verschilt per situatie. Deze wijzigingen worden met ingang van 1 januari 2025 stapsgewijs ingevoerd en moeten per 2030 zijn afgewikkeld.
    • Per 1 januari 2025 is over zelf opgewekte elektriciteit energiebelasting verschuldigd, vergelijkbaar aan op het publieke net ingekochte elektriciteit. Dit is anders voor installaties die kleiner thermisch vermogen hebben dan 20 megawatt, waarvan vaak sprake is bij bijvoorbeeld ziekenhuizen. Elektriciteit voor eigen gebruik van deze exploitanten blijft onbelast, terwijl de gasinput wel wordt belast met energiebelasting.
  • Er komt een nieuwe vrijstelling voor de productie van waterstof door middel van elektrolyse.

Meer weten?
Neem gerust contact op en wij adviseren u hier graag over.