Nieuwsbericht uitspraak reiskostenvergoeding

Uitspraak Hoge Raad inzake reiskostenvergoeding tijdens Corona

Op 23 januari 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van Hof Amsterdam van 23 april 2024, nr. 23/841. Het geschil betrof de vraag of op grond van het Besluit noodmaatregelen coronacrisis aanvullende reiskostenvergoedingen als onbelast mochten worden beschouwd.

Op grond van het Besluit noodmaatregelen coronacrisis mochten reiskostenvergoedingen ongewijzigd onbelast blijven worden betaald, zonder rekening te houden met een wijziging in het reispatroon van een werknemer. Vanwege Corona reisden veel werknemers minder naar kantoor. Dit besluit had terugwerkende kracht tot en met 12 maart 2020. In veel arbeidsvoorwaarden is het mogelijk om een deel van het loon uit te ruilen voor een (aanvullende) onbelaste reiskostenvergoeding. In dit geval betrof het een gemeente waarin de medewerkers hun Individuele Keuzebudget (IKB) konden inzetten voor reiskostenvergoeding. De medewerkers moesten hun keuze kenbaar maken in een digitaal personeelssysteem door een vinkje te plaatsen dat zij hun IKB willen inzetten voor reiskostenvergoeding. Medewerkers konden maandelijks deze keuze maken.

De gemeente meende voor het jaar 2020 uit de goedkeuring uit het Besluit noodmaatregelen coronacrisis het vertrouwen te kunnen ontlenen dat de reiskostenvergoeding onbelast kon worden uitbetaald. De gemeente had het standpunt ingenomen dat vanwege het feit dat de medewerkers voor 13 maart 2020 een onvoorwaardelijk recht op het inzetten van hun IKB hadden, zij in het gehele jaar 2020 hun IKB konden uitruilen voor een onbelaste reiskostenvergoeding ook als deze keuze nog niet voor 13 maart 2020 was gemaakt. De Hoge Raad oordeelde dat dit standpunt in het licht van de kenbare bedoeling van deze goedkeuring geen stand kan houden. De strekking van het besluit houdt in dat een tegemoetkoming wordt gegeven om te voorkomen dat een werkgever een vaste reiskostvergoeding moet aanpassen of geheel of gedeeltelijk moet belasten vanwege een verandering van het reispatroon als gevolg van de coronamaatregelen. Dit kan zich naar het oordeel van de Hoge Raad alleen voordoen indien het recht op reiskostenvergoeding is toegekend op het moment waarom de coronamaatregelen van kracht werden (op 13 maart 2020). Pas met het zetten van het vinkje in het digitale personeelssysteem was het recht op reiskostenvergoeding toegekend, waardoor de goedkeuring niet van toepassing is was bij keuzes na 13 maart 2020.

Het gevolg van deze uitspraak is dat de gemeente in de gevallen waarin de medewerkers na 12 maart 2020 onder uitruil van IKB recht op reiskostenvergoeding hebben gekregen, deze reiskostenvergoeding niet onder toepassing van de gerichte vrijstelling kon worden uitbetaald. De betaalde vergoeding moest worden aangemerkt als eindheffingsloon in de zin van de werkkostenregeling. Voor zover de vrije vergoedingsruimte in de werkkostenregeling wordt overschreden – en dat was hier het geval – moet 80% eindheffing worden betaald over het bedrag van de overschrijding van de vrije vergoedingsruimte.

Er lopen diverse onderzoeken en procedures over dit onderwerp. De uitspraak op het beroep in cassatie in dit geval is voor de inhoudingsplichtige ongunstig, zij krijgen de door hen betaalde eindheffing niet terug. Heeft u na 2020 ook reiskostenvergoeding betaald onder gebruikmaking van de goedkeuring van het Besluit noodmaatregelen coronacrisis, dan bevelen wij u aan te bezien of het recht op reiskostenvergoeding op 12 maart 2020 al onvoorwaardelijk vast stond. Was dit namelijk niet het geval, dan kunt u ook te maken krijgen met een naheffing. Het jaar 2020 is inmiddels verjaard.